| Geschiedenis |
|
De geboorte Arcen, een koude winterdag in januari 1706.
Het Sint Sebastianusgilde Het ontstaan van de schutterij lijkt nauw verweven met het bestaan van dat andere Arcense gilde: het Sint Sebastianusgilde, ofwel de ‘Alde Gild’. Wijlen amateur-historicus Ger Litjens ploos samen met Piet Cup de geschiedenis van de Alde Gild uit. Ze schreven er een boek over, dat in 1994 verscheen. De auteurs: “Uit een document van de schepenbank weten we dat er in het jaar 1612 in de parochie Arcen, waartoe ook Lomm behoorde, vier gilden, broederschappen of fraterniteiten bestonden, met als patroonheiligen St. Sebastianus, St. Antonius abt, St. Anna en St. Joris. Wanneer deze gilden opgericht werden weten we niet.” Litjens beweert dat er in 1478 in ieder geval al Arcense schutters waren: zij werden toen door het St. Antoniusgilde van Geldern uitgenodigd om daar te komen schieten. Over de achtergrond van de gilden zegt Ger Litjens: “De Arcense gilden hadden niets te maken met de ambachtsgilden (…) zoals men die in grotere plaatsen aantrof. Het waren meer verenigingen met een godsdienstig karakter en vaak een eigen altaar in de kerk (…) De gildeleden hadden religieuze plichten, ze trokken mee in processies, begeleidden hun overleden gildebroeders naar het graf, lieten missen lezen en vierden op uitbundige wijze de feestdag van hun patroonheilige.” “Veel gilden gingen zich ook bekwamen in het hanteren van wapens om stad of dorp tegen vijandelijke troepen of rondzwervende benden te verdedigen, of, na de Reformatie, om de processies te beschermen tegen eventuele acties van de protestanten. Er werden militaire rangen ingevoerd, de beste schutter werd koning en zo konden uit de geestelijke broederschappen zelfs echte schutterijen ontstaan. Van de vier oudste Arcense gilden is alleen het St. Sebastianusgilde overgebleven, dat zijn ‘militaire’ taak – de bescherming van de Sacramentsprocessie – voor een ‘half tonne biers’ per jaar overdeed aan de in 1706 opgerichte schutterij St. Petrus en Paulus – de Jong Gild.”
Een zilveren geschiedenisboek Als het gaat om documenten, archiefstukken, verslagen en wat dies meer zij, zijn de eerste eeuwen van het Sint Petrus en Paulusgilde een zwart gat. Je vindt in andere archieven wel eens een verwijzing naar het Arcense gilde, zoals in Baarlo, waar het Sint Petrus en Paulusgilde zich op zondag 26 juni 1887 had ingeschreven voor deelname aan een grootinternationaal schuttersfeest. Maar verder is er bar weinig bekend.
Het Gildeboek Hij wordt al eerder in dit hoofdstuk genoemd: Joseph Basten, koning in 1925 en ambtenaar bij de gemeente. Hij is het die in 1927 een Gildeboek opstelt, het eerste echt goede archiefstuk van het gilde na de oprichtingsakte. En hoewel op zijn koningsplaat de afbeelding van een (in die tijd moderne!) schrijfmachine prijkt, schrijft Joseph dit Gildeboek met de hand. In een prachtig, gelijkmatig, ‘schoon’ handschrift. “Ik heb de voornaamste gebeurtenissen vanaf 1 Juni 1924, datum van het zoo schitterend geslaagde internationale muziek- en schuttersfeest, vrij nauwkeurig opgeteekend”, schrijft de jonge ambtenaar. Dat feest – opgezet om de clubkas te spekken – moet trouwens een enorm evenement zijn geweest voor het Arcen van die dagen. Joseph meldt dat zo’n 1500 tot 1600 schutters en muzikanten uit Brabant, Limburg en Duitsland hun opwachting maakten, verdeeld over 54 (!) verenigingen. Het is een enorm succes. “Geen wanklank werd er op dezen onvergetelijken dag gehoord en het batig saldo was groot. Onmiddellijk werden dan ook de uniformen opgeknapt. Nieuwe petten werden bijbesteld en werd een buks bijgekocht ten gerieve van de leden op schietconcoursen.” Trouw noteert Basten alle gelegenheden waarop de schutterij uittrekt. Het opluisteren van de processie is een jaarlijks hoogtepunt. “In de jaren 1923-1926 waren geregeld 35 à 40 en meer schutters” daarbij aanwezig. De dag dat hij zelf koning wordt, 7 juni 1925, is gedenkwaardig: de harmonie – normaal de ‘trouwe gezellin’ van de schutterij – staakt! “Ze (de harmonie, fe) heeft kwestie met den Burgemeester. Zoo komt het dat de schutterij zonder muziek naar den schutboom trekt. Onder het zingen van ‘Limburg mijn vaderland’ wordt gemarcheerd.” Het Gildeboek bevat voorts een inventarisatie van het zilver. De oprichtingakte is erin uitgeschreven. Ook vindt de lezer er het huishoudelijk reglement en een lijst van alle leden. Een aantal tradities die tot op de dag van vandaag bestaan, wordt in het boek beschreven. Zoals het zetten van de ‘meien’ (jonge berken) ter gelegenheid van de kermis. Of het gooien van de ‘plats’ (een rond krentenbrood) door de bruid van een in het huwelijk tredende schutter (waarbij de vanger van de plats ’s avonds naar het bruiloftsfeest mag). Wel wordt duidelijk dat sommige tradities in de loop der jaren licht aangepast werden. Zoals het tijdstip waarop het koningsvogelschieten wordt gehouden, en de frequentie (nu jaarlijks, in de tijd van Basten tweejaarlijks). Wie het Gildeboek leest, beleeft vooral een feest van herkenning. Wat Joseph Basten en zijn tijdgenoten bijna een eeuw geleden deden, gebeurt nu nog in Arcen! Overigens is de allerlaatste opmerking van Joseph Basten in zijn boek fascinerend: “Blerick, 1 Augustus 1955. Aan ‘Schutterij St. Petrus en Paulus’ Arcen. Bij klaarmaken voor vertrek naar Australië heb ik dit boek weer gevonden en draag het aan u over. Met groeten, H.J. Basten.” Het boek komt terecht bij beschermheer Dolmans, die het in de jaren zeventig definitief overdraagt aan de schutterij. De Tweede Wereldoorlog
Het 250-jarig bestaan 22 juli 1956. Arcen staat in het teken een groot internationaal gilde- en schuttersfeest. Affiches wijzen de weg naar “de feestelijk verlichte en schitterend gelegen terreinen, nabij het kasteel”. En: “Het geheel zal worden opgeluisterd door de Kon. Harmonie van Arcen en de Hofkapel.” “De optocht begint om half twee, waarna te circa half drie de verschillende wedstrijden zoals schieten, vendelen, trommelen enz. zullen beginnen in de feestweide. Op het terrein zijn alle consumpties verkrijgbaar. Bovendien is er een gezellig ingerichte wijnbar aanwezig met passende stemmingsmuziek.” Zeventien verenigingen geven acte de presence, staat in het verslag dat in het schutterijarchief over deze jubileumdag is terug te vinden. Auteur is D. de Boer, 2de Luitenant. “In aanmerking genomen, dat er erg laat is begonnen met de voorbereidende werkzaamheden, kan gezegd worden, dat mede door het schitterende weer, de feestelijkheden gunstig zijn verlopen, al hebben er enkele verenigingen die ingeschreven hadden verstek laten gaan. Gelukkig hebben zich op de dag van het feest nog verschillende verenigingen aangemeld die geen officiële inschrijving hadden ingestuurd. Zodoende kon aan de verwachtingen van het publiek worden voldaan.” Als we het verslag lezen, ontkomen we niet aan de indruk dat het feest na de prijsuitreiking om 7 uur ’s avonds als een nachtkaars uitging. “Het was erg jammer dat de Hofkapel die voor de opluistering had zullen zorgen niet is komen opdagen. Voor het publiek was het niet meer de moeite waard om nog langer op het terrein te blijven, terwijl ook practisch alle verenigingen hun verder amusement in het dorp gingen beleven.” Maar gelukkig lezen we ook: “Onaangenaamheden van noemenswaardige aard hebben zich niet voorgedaan. De verkoop van dranken en etenswaren is vrij gunstig geweest. Alleen de verkoop van gekookte eieren dreigde te mislukken. Toen echter An Holla zich hierover ontfermde en met de voortreffelijkste en kundigste verkoopcapaciteiten ging colporteren, was in minder dan geen tijd de gehele voorraad weg.” Zo zie je maar: in tijden van nood kun je op Arcenaren rekenen – ook bij de consumptie van gekookte eieren….
Het ‘trommelkorps’ Joseph Basten noemde de Koninklijke Harmonie Arcen – in 2006 trouwens 155 jaar jong – al de “trouwe gezellin” van de schutterij. Treffender kun je de hechte relatie tussen beide verenigingen niet omschrijven. Het ‘trommelkorps’ (zoals het in de volksmond wordt genoemd, maar beter is: het tamboerkorps) is onderdeel van de harmonie, maar is tevens het scharnier tussen schutterij en harmonie. Het korps ontstaat na het jubileumfeest van 1956 uit acht leden (tamboers) van de schutterij. Mannen als Sjraar Hermkens en Toon Lichteveld horen bij de kartrekkers. De grote man achter het korps wordt later Frans van Rijswijck, eerst als tamboer-maître, later als voorzitter van de Koninklijke Harmonie van Arcen. Gezien de betekenis van het tamboerkorps in het algemeen en van zijn leider in het bijzonder, is het dan ook volkomen logisch én terecht dat Frans in de jaren tachtig tot erelid van de Jong Gild wordt benoemd. Als officieel oprichtingsjaar van het tamboerkorps is 1961 gekozen. Daarmee viert het korps in 2006 dus ook een ‘jubileum’: het 45-jarig bestaan.
Le roi est mort, vive le roi Op 17 september 1975 moet Eerste Gildemeester Ruud Peters zijn schuttersvrienden een hele treurige mededeling doen. Koning Wiel Smits – in Arcen bekend als ‘de Witte’ – is na een ziekte overleden, 33 jaar oud. Voor zover bekend de enige koning die ‘in functie’ is gestorven. De schutters zijn zwaar aangeslagen – ‘de Witte’ was populair, en een zeer ‘staatse’ koning bovendien. Nu blijkt dat het gilde niet alleen lol kan maken, maar er stáát als het erop aankomt. Er komt een dodenwake, en onder verpletterend grote belangstelling brengt de schutterij haar koning met de grootst mogelijke eer naar zijn laatste rustplaats. Heel Arcen is onder de indruk. Le roi est mort…vive le roi meldt het bidprentje van Wiel Smits. De koning is dood, leve de koning. Zo is het precies: in het collectieve geheugen van het Sint Petrus en Paulusgilde zal ‘de Witte’ immer voortleven.
Het 275-jarige bestaan In 1981 bestaat het Sint Petrus en Paulusgilde 275 jaar. Het feest is wat bescheidener van omvang dit keer. Geen dure tent, met alle financiële risico’s vandien, maar een min of meer ingetogen feest in het Gemeenschapshuis. Op vrijdag 19 juni is er een reünie; een dag later gevolgd door een rondgang door het dorp, opgeluisterd door de schutterij uit het Duitse Tiefenbroich. ’s Avonds is er een ‘knalavond’ met de Maaslandmuzikanten. Op zondag is er na de mis Frühshoppen en opnieuw een rondgang door het dorp. Dit keer is er muziek van joekskapellen en een grote feestavond met Stella Duce. Beschermheer A.T.M. Dolmans geeft in de jubileumkrant het gilde een compliment voor het bereiken van de mijlpaal: “Want zo gemakkelijk kan dat niet geweest zijn. Vooreerst heeft het gilde, in tegenstelling tot zoveel andere, nooit bezittingen gehad. Een materieel fundament van enige betekenis is er nooit geweest. Vervolgens de beperking van het aktieve lidmaatschap tot vrijgezellen onder dertig aar. Daardoor wisselen generaties snel, en is de tijd voor overdracht van tradities en idealen kort. Een korte periode van verslapping, en veel kan dan voorgoed verloren gaan.” Het lijken profetische woorden. Want enkele jaren later gaat het niet goed met het gilde: de ledenaanwas stopt. Om het tij te keren wordt – ondanks een eerder, op niets uitgelopen lidmaatschap van de schuttersbond Juliana in de jaren zeventig – opnieuw aansluiting gezocht bij een overkoepelende bond. Het Land van Cuijk dit keer. Om de intrede in de bond te vieren, en om Arcen weer warm te krijgen voor de schutterij, wordt twee jaar na het 275-bestaan een nieuw feest georganiseerd. Dit keer wel compleet met tent-in-feestwei en diverse wedstrijden. Het feest is geslaagd, hoewel financieel maar net quitte wordt gespeeld. Echter: het beoogde doel van ledenaanwas wordt niet bereikt. De schutterij is op weg naar het diepste dal uit haar (bekende) geschiedenis.
(Geen) getrouwde leden! Het gilde kijkt midden jaren tachtig in de afgrond. De schutterij lijkt dood te bloeden. Het bestuur, onder leiding van de Gildemeesters Fons Elbersen en Ger Peters, weigert te capituleren. Er wordt een paardenmiddel voorgesteld: het gilde openstellen voor getrouwde leden… De schutters gaan akkoord met dit revolutionaire voorstel. En hoewel er enkele gehuwde mannen toetreden (allemaal oud-leden van de schutterij), blijkt ook deze oplossing niet te werken. Het nieuwe bestuur onder leiding van de (nota bene getrouwde!) Paul Peters beslist dan ook het vermaledijde besluit niet te laten bekrachtigen door een notaris. “We houden vol zo lang we kunnen”, is het credo. En zie, in de jaren negentig keert het tij: in een korte periode stromen ineens tientallen Jongesellen toe. Tot opluchting van velen – niet in de laatste plaats van Fons Elbersen en Ger Peters – kan het ‘getrouwde leden’-besluit definitief de prullenmand in. Paul Peters stapt op als getrouwde Gildemeester en kan met een gerust hart de zaak overdragen aan de nieuwe generatie. Die brengt het gilde in de jaren negentig tot een ongekende bloei. En daarin verkeert het Sint Petrus en Paulusgilde tot op de dag van vandaag. |
