kermis_2011_20111215_1439161394.jpg
Navigatie
  • Home
  • Jaaragenda
  • Fotoalbum
  • Filmalbum
  • Geschiedenis
  • Tradities
  • Organisatie
  • Schutterslied
  • Leden
  • Gastenboek
  • Sponsors
  • Contact
Nieuws

Welkom op de vernieuwde website van de Koninklijke St. Petrus en Paulus Gilde. De komende tijd zal de website nog geupdate worden met foto's van de verschillende activiteiten van het afgelopen jaar. Hier zullen de meest recente nieuwtjes komen en onder de link "Jaaragenda" staan de komende activiteiten gepland.

Geschiedenis

De geboorte

Arcen, een koude winterdag in januari 1706.
In een van de warme gelagkamers in het hartje van Arcen zit een groep jonge mannen aan het bier. Ze turen in het haardvuur, een beetje mokkend. “Waarom is er voor ons nooit iets te doen?”, vraagt de een.“Waarom vieren die van het Sint Sebastianusgilde wel het feest van hun patroonheilige?”, zegt een ander. “Waarom beginnen we niet een gilde voor onszelf, vrijgezelle Arcenaren?”, oppert een derde. “Dat is een geweldig idee!”, roepen ze allemaal in koor.

Toegegeven, bovenstaand tafereeltje is volledig verzonnen. We weten immers niets over het ontstaan van het Sint Petrus en Paulusgilde. Wat we wel weten is dat het gilde al drie eeuwen lang uitsluitend bestaat uit ‘Jongesellen’ – vrijgezelle Arcenaren, ouder dan 16 en maximaal 34 jaar oud (in vroeger tijden maximaal 30 jaar). Voor zover valt na te gaan is er geen tweede gilde in Limburg met deze bijzondere achtergrond. Echter: met welk doel de schutterij werd opgericht, weten we niet. Het oudst bewaard gebleven document van het gilde is de oprichtingsakte. Pas in 1735 – dus bijna dertig jaar na oprichting – getekend door Christian August, Heer van Arcen, Lom, Velden, Bree, Frechen, Bachum en Vogtsbell, Vrijheer van Gelder. Een reden voor oprichting meldt de akte niet. Wel wat de verplichtingen van de leden zijn.

Onwaarschijnlijk is echter dat het gilde een militaire oorsprong heeft. Immers: de oprichtingsakte rept wel over “eene Compagnie” met “vendel, scherpen, plumagien en andere nootwendigheden” – “behoorlijcke Officieren” incluis – maar nergens wordt ook maar een letter gewijd aan krijgshaftige voorschriften of regels op het vlak van wat we ‘bescherming bevolking’ zouden kunnen noemen.

Als de schutterij, zoals vaak wordt gedacht, daadwerkelijk een militaire achtergrond had, dan had dat op zijn minst in deze ‘geboorteakte’ van de vereniging zijn weerslag gehad. Wel is er in het document uitgebreid aandacht voor religieuze plichten, en vooral voor de begeleiding van de Sacramentsprocessie. Het ligt daarom veel meer voor de hand daar de oorsprong van de schutterij te zoeken.

 

Het Sint Sebastianusgilde

Het ontstaan van de schutterij lijkt nauw verweven met het bestaan van dat andere Arcense gilde: het Sint Sebastianusgilde, ofwel de ‘Alde Gild’. Wijlen amateur-historicus Ger Litjens ploos samen met Piet Cup de geschiedenis van de Alde Gild uit. Ze schreven er een boek over, dat in 1994 verscheen. De auteurs: “Uit een document van de schepenbank weten we dat er in het jaar 1612 in de parochie Arcen, waartoe ook Lomm behoorde, vier gilden, broederschappen of fraterniteiten bestonden, met als patroonheiligen St. Sebastianus, St. Antonius abt, St. Anna en St. Joris. Wanneer deze gilden opgericht werden weten we niet.” Litjens beweert dat er in 1478 in ieder geval al Arcense schutters waren: zij werden toen door het St. Antoniusgilde van Geldern uitgenodigd om daar te komen schieten. Over de achtergrond van de gilden zegt Ger Litjens: “De Arcense gilden hadden niets te maken met de ambachtsgilden (…) zoals men die in grotere plaatsen aantrof. Het waren meer verenigingen met een godsdienstig karakter en vaak een eigen altaar in de kerk (…) De gildeleden hadden religieuze plichten, ze trokken mee in processies, begeleidden hun overleden gildebroeders naar het graf, lieten missen lezen en vierden op uitbundige wijze de feestdag van hun patroonheilige.” “Veel gilden gingen zich ook bekwamen in het hanteren van wapens om stad of dorp tegen vijandelijke troepen of rondzwervende benden te verdedigen, of, na de Reformatie, om de processies te beschermen tegen eventuele acties van de protestanten. Er werden militaire rangen ingevoerd, de beste schutter werd koning en zo konden uit de geestelijke broederschappen zelfs echte schutterijen ontstaan. Van de vier oudste Arcense gilden is alleen het St. Sebastianusgilde overgebleven, dat zijn ‘militaire’ taak – de bescherming van de Sacramentsprocessie – voor een ‘half tonne biers’ per jaar overdeed aan de in 1706 opgerichte schutterij St. Petrus en Paulus – de Jong Gild.”

Litjens zet het woord ‘militair’ niet voor niets tussen aanhalingstekens: de bescherming van de processie was een voornamelijk ceremoniële taak. Overigens, ook een nadere bestudering van de (roerige) geschiedenis van Arcen maakt duidelijk dat een echt militaire taak voor een schutterij onwaarschijnlijk was. Het gilde is opgericht in de Spaanse tijd. In de jaren daarna was Arcen achtereenvolgens Pruisisch, Oostenrijks, weer Pruisisch, Frans, onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden, van 1830-1839 Belgisch en tenslotte weer Nederlands. Arcen zag dus vele malen vreemde heersers met hun krijgsmacht voorbij komen. Tegen moderne legers uit de 18e en 19e eeuw kon een dorpsschutterij helemaal niks uitrichten.

Iemand die zich grondig heeft verdiept in de geschiedenis van schutterijen in Limburg, is historicus drs. Luc Wolters uit Simpelveld. Hij stelt dat vrijgezellen “tegen het einde van de 17e eeuw en het begin van de 18e eeuw (en dan met name na de krijgsperikelen van de Spaanse successieoorlog (1701-1713) met een emancipatie van hun activiteiten bezig waren”. Niet alleen in Arcen, maar in de hele provincie. Bijvoorbeeld in Echt en Susteren, waar in 1715/16 ook ‘vrijgezellenschutterijen’ ontstonden (eveneens met Sint Petrus en Paulus als schutsheiligen!). Wolters: “De jongeren kozen voor de verenigingsvorm die bekend was: de jonkheid of jonggezellenschutterij. Koos men niet voor een vereniging voor hun activiteiten, dan leverde dit problemen op, zoals in 1739 in Simpelveld, waar jongeren ongepermitteerd de koningsvogel schoten. Hun geweer werd afgenomen. Gekozen werd dus voor een traditionele vereniging, die qualitate qua aan de kerk verbonden was, waarbij de processie begeleid werd en de overleden leden begraven en herdacht werden.”

Ook Wolters stelt dat dorpsschutterijen voor militaire taken allerminst geschikt waren, maar zegt hij: “wel voor een ondersteuning van de plaatselijke rechtbank door middel van beperkte politietaken”. Met name over deze politietaken schreef Wolters zijn doctoraalscriptie. Hij spreekt dus met autoriteit als hij zegt: “Het is uiterst zelden dat dergelijke taken in een schuttersreglement genoemd worden, terwijl we toch van diverse plaatsen weten dat de schutterij zich ermee bezig heeft gehouden.” En de plaatselijke schout zou volgens Wolters in uitzonderingsgevallen best een beroep op de schutters hebben kunnen doen bij het 's nachts oppassen bij onraad, verdachten arresteren en het bewaken van gevangenen.

Ook de Oud-Limburgse Schuttersfederatie stelt in een lijvig artikel op haar website – eveneens van de hand van Luc Wolters - over de geschiedenis van Limburgse schutterijen dat de plattelandsschutterijen in onze provincie in de 16e, 17e en 18e eeuw een nadrukkelijk godsdienstig karakter hadden. “Sommige schutterijen hadden zelf een gildealtaar in de kerk, ter ere van de patroonheilige van de vereniging. Een Sint Sebastianusschutterij bijvoorbeeld houdt op rond 20 januari haar patroonsfeest (…) Wanneer de processie trok, dan was de schutterij aanwezig om deze te begeleiden. Dit staat nagenoeg in de meeste reglementen voor de schutterijen uit die tijd vermeld en was een uiterst belangrijke en eervolle taak voor de schutters.” Ook wordt het sociale karakter van de verenigingen weer benadrukt. “Een belangrijke zowel sociale als kerkelijke activiteit van de schutterij is het begraven van de overleden leden.” En: “Er waren diverse bijeenkomsten waarbij de schutters gezamenlijk de maaltijd gebruikten en/of bier dronken.” Als je die laatste zin leest, denk je meteen aan het Sint Sebastianusfeest dat op de dag van vandaag in Arcen wordt gevierd. Een patroonheilige-feest dus. Bepaald niet krijgshaftig. Overigens wel erg gezellig.

 

Een zilveren geschiedenisboek

Als het gaat om documenten, archiefstukken, verslagen en wat dies meer zij, zijn de eerste eeuwen van het Sint Petrus en Paulusgilde een zwart gat. Je vindt in andere archieven wel eens een verwijzing naar het Arcense gilde, zoals in Baarlo, waar het Sint Petrus en Paulusgilde zich op zondag 26 juni 1887 had ingeschreven voor deelname aan een grootinternationaal schuttersfeest. Maar verder is er bar weinig bekend.

Nu is een gilde dat enkel bestaat uit Jongesellen natuurlijk vooral bezig met dingen die jonge kerels interesseren. Stukken produceren en archiveren lijkt daarbij niet op de eerste plaats te omen... (hoewel latere generaties hun plicht op dit vlak keurig vervulden!). Ook is de schutterij enkele keren getroffen door een ramp. Joseph Basten, in 1925 koning van het gilde en als ambtenaar bij de gemeente wel een man die het belang van een goed archief inzag, meldt in 1927 bijvoorbeeld dat “bij een brand op 16 April 1920 bij onzen secretaris L. Aan de Brugh” een deel van het verenigingsarchief verloren ging. “Onze Vereeniging is niet gelukkig geweest is het bewaren harer doumenten”, schrijft hij licht beteuterd. Behalve de namen van de koningen – die van het koningszilver kunnen worden gehaald – is uit de 18e en 19e eeuw niet veel bewaard gebleven. Dat zilver laat zich echter wel lezen als een soort geschiedenisboek. Neem bijvoorbeeld de oudste plaat, in 1736 geschonken door J.C. von Treskou. Het bijna onleesbare randschrift meldt: General Major von Röseler bataillon fusilier. Capiteyn in diensten seiner Königl. Majesté von Preussen. ’t Is duidelijk; Arcen valt in 1736 onder Pruisisch bewind.

Een plaat van de toenmalige Heer van Arcen – de eerdergenoemde Christian August – is er trouwens niet. Mogelijk is die er wel ooit geweest. In 1724 schenkt deze edelman in zijn hoedanigheid van ‘Freyherr Von Gelder zu Arcen’ de Frechener Schützenverein (D., opgericht 1655) namelijk een plaat. Frechen is een van de plaatsen die onder de Heer van Arcen ressorteerde. Dat geldt ook voor het Duitse Bachem. De in 1640 opgerichte St. Mauritius-Schützenbruderschaft uit die plaats krijgt in 1743 ook al een plaat. In dit geval van een familielid van Christian August: Friderich Adolph. Over de Frechense plaat – die daar overigens in het Keramikmuseum wordt tentoongesteld – bestaat in Arcen de hardnekkige mythe dat die “van onze schutterij” is. Dat lijkt erg onwaarschijnlijk: waarom zou de Heer van Arcen in 1724 een plaat schenken aan een vereniging wier oprichting hij pas in 1735 goedkeurt?

De laatste Heer van Arcen die deze titel mocht dragen – C.J. von Wijmar zu Arcen – schenkt in 1808, tijdens de Franse tijd, een zilveren plaat. De geboorte van de zoon van Napoleon op 9 juni 1811 wordt herdacht door maire (burgemeester) Van Deelen met een plaat. God heeft de wensen der Fransen verhoord, meldt de Franse inscriptie. En op de voorzijde van de plaat staat: Memorial de la naissance S.M. de Roi de Rome né á Paris le 20 Mars 1811 (herinnering aan de geboorte van zijne majesteit de Koning van Rome geboren in Parijs op 20 maart 1811). Ooit moet er ook een plaat zijn geweest met de hoofden van keizer Franz I van Oostenrijk, tsaar Alexander I van Rusland en koning Friedrich Wilhelm III van Pruissen; de overwinnaars van Napoleon. Deze plaat – geschonken door het kasteel – is helaas niet meer in de zilvercollectie van de schutterij terug te vinden. De grootste en zwaarste plaat is in 1924 geschonken door professor Deusser, beschermheer en kasteelheer. In 1978 schenkt Ruud Peters ter gelegenheid van zijn tienjarig Gildemeesterschap de schutterij een ‘gaai’ – een plaat in de vorm van een vogel. En verder zijn er natuurlijk vooral de tientallen zilveren platen van gewone Arcense jongens, die een plekje in de geschiedenis van hun dorp verwierven door de vogel af te schieten. Platen met opschriften (meestal in dichtvorm) en afbeeldingen die met enige fantasie gelezen kunnen worden als een zilveren geschiedenisboek van Arcen en drie eeuwen schuttersleven.

 

Het Gildeboek

Hij wordt al eerder in dit hoofdstuk genoemd: Joseph Basten, koning in 1925 en ambtenaar bij de gemeente. Hij is het die in 1927 een Gildeboek opstelt, het eerste echt goede archiefstuk van het gilde na de oprichtingsakte. En hoewel op zijn koningsplaat de afbeelding van een (in die tijd moderne!) schrijfmachine prijkt, schrijft Joseph dit Gildeboek met de hand. In een prachtig, gelijkmatig, ‘schoon’ handschrift. “Ik heb de voornaamste gebeurtenissen vanaf 1 Juni 1924, datum van het zoo schitterend geslaagde internationale muziek- en schuttersfeest, vrij nauwkeurig opgeteekend”, schrijft de jonge ambtenaar. Dat feest – opgezet om de clubkas te spekken – moet trouwens een enorm evenement zijn geweest voor het Arcen van die dagen. Joseph meldt dat zo’n 1500 tot 1600 schutters en muzikanten uit Brabant, Limburg en Duitsland hun opwachting maakten, verdeeld over 54 (!) verenigingen. Het is een enorm succes. “Geen wanklank werd er op dezen onvergetelijken dag gehoord en het batig saldo was groot. Onmiddellijk werden dan ook de uniformen opgeknapt. Nieuwe petten werden bijbesteld en werd een buks bijgekocht ten gerieve van de leden op schietconcoursen.” Trouw noteert Basten alle gelegenheden waarop de schutterij uittrekt. Het opluisteren van de processie is een jaarlijks hoogtepunt. “In de jaren 1923-1926 waren geregeld 35 à 40 en meer schutters” daarbij aanwezig. De dag dat hij zelf koning wordt, 7 juni 1925, is gedenkwaardig: de harmonie – normaal de ‘trouwe gezellin’ van de schutterij – staakt! “Ze (de harmonie, fe) heeft kwestie met den Burgemeester. Zoo komt het dat de schutterij zonder muziek naar den schutboom trekt. Onder het zingen van ‘Limburg mijn vaderland’ wordt gemarcheerd.” Het Gildeboek bevat voorts een inventarisatie van het zilver. De oprichtingakte is erin uitgeschreven. Ook vindt de lezer er het huishoudelijk reglement en een lijst van alle leden. Een aantal tradities die tot op de dag van vandaag bestaan, wordt in het boek beschreven. Zoals het zetten van de ‘meien’ (jonge berken) ter gelegenheid van de kermis. Of het gooien van de ‘plats’ (een rond krentenbrood) door de bruid van een in het huwelijk tredende schutter (waarbij de vanger van de plats ’s avonds naar het bruiloftsfeest mag). Wel wordt duidelijk dat sommige tradities in de loop der jaren licht aangepast werden. Zoals het tijdstip waarop het koningsvogelschieten wordt gehouden, en de frequentie (nu jaarlijks, in de tijd van Basten tweejaarlijks). Wie het Gildeboek leest, beleeft vooral een feest van herkenning. Wat Joseph Basten en zijn tijdgenoten bijna een eeuw geleden deden, gebeurt nu nog in Arcen! Overigens is de allerlaatste opmerking van Joseph Basten in zijn boek fascinerend: “Blerick, 1 Augustus 1955. Aan ‘Schutterij St. Petrus en Paulus’ Arcen. Bij klaarmaken voor vertrek naar Australië heb ik dit boek weer gevonden en draag het aan u over. Met groeten, H.J. Basten.” Het boek komt terecht bij beschermheer Dolmans, die het in de jaren zeventig definitief overdraagt aan de schutterij.

De Tweede Wereldoorlog
Tijdens de oorlogsjaren ligt de schutterij noodgedwongen stil. Het zilver wordt uit de handen van de Duitsers gehouden, maar andere bezittingen van het gilde raken in het oorlogsgeweld zwaar beschadigd. Na de bevrijding gaan de schutters nijver aan het werk om hun vereniging nieuw leven in te blazen. Jan Holla is de eerste koning van na de oorlog. Samen met zijn maten schuimt hij stad en land af om de uniformen en andere uitrustingsstukken weer op orde te krijgen. Witte broeken worden helemaal in België gehaald, waar een atletiekvereniging ophoudt te bestaan en blijkens een advertentie in een wat dubieus blaadje met blote dames dergelijke broeken te koop aanbiedt. Uniformjassen worden bij elkaar gescharreld in zo’n beetje alle buurdorpen van Arcen. De schutters malen er niet om – hun vereniging bloeit weer!

 

Het 250-jarig bestaan

22 juli 1956. Arcen staat in het teken een groot internationaal gilde- en schuttersfeest. Affiches wijzen de weg naar “de feestelijk verlichte en schitterend gelegen terreinen, nabij het kasteel”. En: “Het geheel zal worden opgeluisterd door de Kon. Harmonie van Arcen en de Hofkapel.” “De optocht begint om half twee, waarna te circa half drie de verschillende wedstrijden zoals schieten, vendelen, trommelen enz. zullen beginnen in de feestweide. Op het terrein zijn alle consumpties verkrijgbaar. Bovendien is er een gezellig ingerichte wijnbar aanwezig met passende stemmingsmuziek.” Zeventien verenigingen geven acte de presence, staat in het verslag dat in het schutterijarchief over deze jubileumdag is terug te vinden. Auteur is D. de Boer, 2de Luitenant. “In aanmerking genomen, dat er erg laat is begonnen met de voorbereidende werkzaamheden, kan gezegd worden, dat mede door het schitterende weer, de feestelijkheden gunstig zijn verlopen, al hebben er enkele verenigingen die ingeschreven hadden verstek laten gaan. Gelukkig hebben zich op de dag van het feest nog verschillende verenigingen aangemeld die geen officiële inschrijving hadden ingestuurd. Zodoende kon aan de verwachtingen van het publiek worden voldaan.” Als we het verslag lezen, ontkomen we niet aan de indruk dat het feest na de prijsuitreiking om 7 uur ’s avonds als een nachtkaars uitging. “Het was erg jammer dat de Hofkapel die voor de opluistering had zullen zorgen niet is komen opdagen. Voor het publiek was het niet meer de moeite waard om nog langer op het terrein te blijven, terwijl ook practisch alle verenigingen hun verder amusement in het dorp gingen beleven.” Maar gelukkig lezen we ook: “Onaangenaamheden van noemenswaardige aard hebben zich niet voorgedaan. De verkoop van dranken en etenswaren is vrij gunstig geweest. Alleen de verkoop van gekookte eieren dreigde te mislukken. Toen echter An Holla zich hierover ontfermde en met de voortreffelijkste en kundigste verkoopcapaciteiten ging colporteren, was in minder dan geen tijd de gehele voorraad weg.” Zo zie je maar: in tijden van nood kun je op Arcenaren rekenen – ook bij de consumptie van gekookte eieren….

 

Het ‘trommelkorps’

Joseph Basten noemde de Koninklijke Harmonie Arcen – in 2006 trouwens 155 jaar jong – al de “trouwe gezellin” van de schutterij. Treffender kun je de hechte relatie tussen beide verenigingen niet omschrijven. Het ‘trommelkorps’ (zoals het in de volksmond wordt genoemd, maar beter is: het tamboerkorps) is onderdeel van de harmonie, maar is tevens het scharnier tussen schutterij en harmonie. Het korps ontstaat na het jubileumfeest van 1956 uit acht leden (tamboers) van de schutterij. Mannen als Sjraar Hermkens en Toon Lichteveld horen bij de kartrekkers. De grote man achter het korps wordt later Frans van Rijswijck, eerst als tamboer-maître, later als voorzitter van de Koninklijke Harmonie van Arcen. Gezien de betekenis van het tamboerkorps in het algemeen en van zijn leider in het bijzonder, is het dan ook volkomen logisch én terecht dat Frans in de jaren tachtig tot erelid van de Jong Gild wordt benoemd. Als officieel oprichtingsjaar van het tamboerkorps is 1961 gekozen. Daarmee viert het korps in 2006 dus ook een ‘jubileum’: het 45-jarig bestaan.

 

Le roi est mort, vive le roi

Op 17 september 1975 moet Eerste Gildemeester Ruud Peters zijn schuttersvrienden een hele treurige mededeling doen. Koning Wiel Smits – in Arcen bekend als ‘de Witte’ – is na een ziekte overleden, 33 jaar oud. Voor zover bekend de enige koning die ‘in functie’ is gestorven. De schutters zijn zwaar aangeslagen – ‘de Witte’ was populair, en een zeer ‘staatse’ koning bovendien. Nu blijkt dat het gilde niet alleen lol kan maken, maar er stáát als het erop aankomt. Er komt een dodenwake, en onder verpletterend grote belangstelling brengt de schutterij haar koning met de grootst mogelijke eer naar zijn laatste rustplaats. Heel Arcen is onder de indruk. Le roi est mort…vive le roi meldt het bidprentje van Wiel Smits. De koning is dood, leve de koning. Zo is het precies: in het collectieve geheugen van het Sint Petrus en Paulusgilde zal ‘de Witte’ immer voortleven.

 

Het 275-jarige bestaan

In 1981 bestaat het Sint Petrus en Paulusgilde 275 jaar. Het feest is wat bescheidener van omvang dit keer. Geen dure tent, met alle financiële risico’s vandien, maar een min of meer ingetogen feest in het Gemeenschapshuis. Op vrijdag 19 juni is er een reünie; een dag later gevolgd door een rondgang door het dorp, opgeluisterd door de schutterij uit het Duitse Tiefenbroich. ’s Avonds is er een ‘knalavond’ met de Maaslandmuzikanten. Op zondag is er na de mis Frühshoppen en opnieuw een rondgang door het dorp. Dit keer is er muziek van joekskapellen en een grote feestavond met Stella Duce. Beschermheer A.T.M. Dolmans geeft in de jubileumkrant het gilde een compliment voor het bereiken van de mijlpaal: “Want zo gemakkelijk kan dat niet geweest zijn. Vooreerst heeft het gilde, in tegenstelling tot zoveel andere, nooit bezittingen gehad. Een materieel fundament van enige betekenis is er nooit geweest. Vervolgens de beperking van het aktieve lidmaatschap tot vrijgezellen onder dertig aar. Daardoor wisselen generaties snel, en is de tijd voor overdracht van tradities en idealen kort. Een korte periode van verslapping, en veel kan dan voorgoed verloren gaan.” Het lijken profetische woorden. Want enkele jaren later gaat het niet goed met het gilde: de ledenaanwas stopt. Om het tij te keren wordt – ondanks een eerder, op niets uitgelopen lidmaatschap van de schuttersbond Juliana in de jaren zeventig – opnieuw aansluiting gezocht bij een overkoepelende bond. Het Land van Cuijk dit keer. Om de intrede in de bond te vieren, en om Arcen weer warm te krijgen voor de schutterij, wordt twee jaar na het 275-bestaan een nieuw feest georganiseerd. Dit keer wel compleet met tent-in-feestwei en diverse wedstrijden. Het feest is geslaagd, hoewel financieel maar net quitte wordt gespeeld. Echter: het beoogde doel van ledenaanwas wordt niet bereikt. De schutterij is op weg naar het diepste dal uit haar (bekende) geschiedenis.

 

(Geen) getrouwde leden!

Het gilde kijkt midden jaren tachtig in de afgrond. De schutterij lijkt dood te bloeden. Het bestuur, onder leiding van de Gildemeesters Fons Elbersen en Ger Peters, weigert te capituleren. Er wordt een paardenmiddel voorgesteld: het gilde openstellen voor getrouwde leden… De schutters gaan akkoord met dit revolutionaire voorstel. En hoewel er enkele gehuwde mannen toetreden (allemaal oud-leden van de schutterij), blijkt ook deze oplossing niet te werken. Het nieuwe bestuur onder leiding van de (nota bene getrouwde!) Paul Peters beslist dan ook het vermaledijde besluit niet te laten bekrachtigen door een notaris. “We houden vol zo lang we kunnen”, is het credo. En zie, in de jaren negentig keert het tij: in een korte periode stromen ineens tientallen Jongesellen toe. Tot opluchting van velen – niet in de laatste plaats van Fons Elbersen en Ger Peters – kan het ‘getrouwde leden’-besluit definitief de prullenmand in. Paul Peters stapt op als getrouwde Gildemeester en kan met een gerust hart de zaak overdragen aan de nieuwe generatie. Die brengt het gilde in de jaren negentig tot een ongekende bloei. En daarin verkeert het Sint Petrus en Paulusgilde tot op de dag van vandaag.

Deze tekst kom uit het 300-jarig jubileumboek ‘300 jaar Ârcese Jongesellen’ uit 2006. Dit boek is geschreven door Fons Elbersen, in dit boek staan nog vele mooie interviews. Bent u geïntresseerd in het boek, klik dan kunt u contact opnemen met het bestuur van de schutterij. de contactgegevens staan onder de link 'Contact'.